Uitleg & verdieping
Grammatica
Hoe zit een zin in elkaar? Leer woordsoorten en zinsdelen herkennen en ontdek hoe ze samenwerken.
Kies een artikel
Kies de uitleg die je zoekt.
- Aanwijzen of vragen: deze, dat, wie en welk
- Als of dan bij een vergelijking
- Bijvoeglijk naamwoord of bijwoord: waar hoort het bij?
- Bijwoordelijke bepalingen: tijd, plaats en manier
- Congruentie: laat onderwerp en persoonsvorm overeenkomen
- Dat of wat: een woord of een hele mededeling?
- De infinitief herkennen: het hele werkwoord in een zin
- De persoonsvorm vinden met de tijdproef
- Die of dat als betrekkelijk voornaamwoord
- Gebiedende wijs: geef een opdracht met het werkwoord
- Grammatica leren: van losse woorden naar complete zinnen
- Hen of hun: kiezen met de functie in de zin
- Het lijdend voorwerp bepalen in een zin
- Het meewerkend voorwerp: aan wie wordt iets gegeven?
- Het onderwerp vinden: wie of wat hoort bij de persoonsvorm?
- Het voorzetselvoorwerp: wachten op iemand
- Hoofdzin en bijzin herkennen aan hun opbouw
- Persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden uit elkaar houden
- Scheidbare werkwoorden: opbellen en ik bel op
- Sterke werkwoorden leren met drie samenhangende vormen
- Telwoorden: aantallen en plaatsen in een reeks
- Trappen van vergelijking: hoog, hoger, hoogst
- Voegwoorden herkennen: woorden en zinnen verbinden
- Voorzetsels: relaties tussen woorden herkennen
- Wederkerend of wederkerig: zichzelf en elkaar
- Wel of geen buigings-e: een klein huis, het kleine huis
- Werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde herkennen
- Werkwoordstijden: wanneer gebeurt iets in je verhaal?
- Woordsoorten en zinsdelen: twee manieren van kijken
- Zelfstandige naamwoorden en lidwoorden herkennen