Twee plaatsen, één werkwoord
In “Ik bel mijn oma op” horen bel en op samen bij opbellen. De woorden mijn oma kunnen ertussen staan. Zoek je de betekenis, dan is opbellen de relevante woordenboekvorm. Het losse op is hier geen plaatsaanwijzing zoals op in “op de tafel”.
De zinsbouw verandert de afstand
Vergelijk “Ik neem een schrift mee” met “omdat ik een schrift meeneem”. In deze bijzin staan de delen bij elkaar. Bij een infinitief krijg je bijvoorbeeld “Ik wil een schrift meenemen”. Kijk dus naar de werkwoordelijke constructie; schrijf de delen niet altijd los alleen omdat ze in één voorbeeld gescheiden waren.
Te komt tussen de delen
Bij opbellen ontstaat op te bellen: “Zij belooft morgen op te bellen.” Het voltooid deelwoord is opgebeld. Dit patroon geldt voor het scheidbare werkwoord uit deze les; niet elk werkwoord met een herkenbaar beginstuk is scheidbaar. Leren van een kleine reeks complete voorbeeldzinnen helpt meer dan een los voorvoegsel overal hetzelfde behandelen. Controleer bij een onbekend werkwoord de bedoelde betekenis en de bijbehorende vervoeging.
Oefen met deze voorbeelden
- Vul opbellen passend in: “Morgen ... ik je ... .”
- Maak de zin af: “Ik probeer mijn buurman ... .” Gebruik opbellen met te.
Antwoorden met uitleg
- Morgen bel ik je op. Bel en op staan gescheiden.
- Op te bellen. Te staat bij dit scheidbare werkwoord tussen op en bellen.