Talenkoning · Grammatica

Die of dat als betrekkelijk voornaamwoord

Een betrekkelijke bijzin geeft informatie bij een eerder genoemd woord. Dat woord bepaalt of je de bijzin met die of dat verbindt.

Die of dat als betrekkelijk voornaamwoord

Zoek het woord waar de bijzin bij hoort

In “De rugzak die bij de deur ligt, is leeg” vertelt de bijzin iets over de rugzak. Rugzak is een de-woord; daarom staat er die. Bij “Het pakket dat bij de deur ligt, is zwaar” hoort dat bij het enkelvoudige het-woord pakket. Meervouden krijgen die: “De pakketten die klaarliggen”.

Laat een tussenstuk je niet afleiden

Neem “Het cadeau voor mijn buren dat op tafel staat, is ingepakt”. Het is het cadeau dat op tafel staat. De buren zijn niet het woord waar de bijzin naar verwijst. Kijk dus niet automatisch naar het dichtstbijzijnde zelfstandig naamwoord, maar controleer welke betekenis logisch is.

Een persoon kan een het-woord zijn

In een neutrale standaardzin schrijf je “het kind dat meedoet”. Het grammaticale woordgeslacht is hier bepalend, niet het feit dat het over een mens gaat. Bij een ingewikkelde of dubbelzinnige woordgroep helpt herschrijven: noem het bedoelde woord nogmaals of maak een afzonderlijke zin. Zo voorkom je dat een grammaticaal mogelijke verwijzing voor de lezer toch onduidelijk blijft.

Oefen met deze voorbeelden

  1. Kies: “De liedjes die/dat we zingen, zijn nieuw.”
  2. Welk woord stuurt de keuze in “Het boek over dieren dat ik leen”?
Antwoorden met uitleg
  1. Die, want liedjes is meervoud.
  2. Boek. Je leent het boek; de bijzin gaat niet over het lenen van dieren. Daarom gebruik je dat.

Ontdek ook