Talenkoning · Grammatica

Werkwoordstijden: wanneer gebeurt iets in je verhaal?

De werkwoordsvorm en tijdsaanduidingen werken samen. Een tegenwoordige tijd kan bijvoorbeeld over morgen gaan; kijk daarom verder dan alleen de naam van de tijd.

Werkwoordstijden: wanneer gebeurt iets in je verhaal?

Vorm en kalender vallen niet altijd samen

“Morgen fiets ik naar het station” gebruikt de tegenwoordige tijd, maar verwijst naar een toekomstige rit. Het woord morgen maakt dat duidelijk. De grammaticale naam tegenwoordige tijd betekent dus niet dat iedere beschreven handeling precies op het spreekmoment plaatsvindt.

Afgerond tegenover verteld in het verleden

“Ik repareerde de lamp” vertelt een gebeurtenis in de verleden tijd. “Ik heb de lamp gerepareerd” presenteert de reparatie als voltooid. Beide kunnen over gisteren gaan. Welke vorm natuurlijk past, hangt ook af van de context: een doorlopend verhaal en een mededeling over een behaald resultaat kunnen anders zijn opgebouwd.

Nog eerder dan een verleden moment

In “Toen de gasten kwamen, had ik de tafel al gedekt” gaat het dekken vooraf aan hun komst. Had gedekt is een voltooid verleden tijd. Teken desnoods twee momenten op papier en verbind elke gebeurtenis met zijn vorm. Blijf in een tekst niet mechanisch bij één tijd: een terugblik kan juist een wisseling nodig maken. Controleer of die wisseling de werkelijke volgorde verduidelijkt.

Oefen met deze voorbeelden

  1. Wanneer valt de rit in “Volgende week reis ik naar Breda”?
  2. Wat gebeurt eerder in “Toen het begon te regenen, waren we al thuisgekomen”?
Antwoorden met uitleg
  1. In de toekomst. Reis is tegenwoordige tijd, maar volgende week bepaalt hier het bedoelde moment.
  2. Het thuiskomen gaat vooraf aan het begin van de regen; waren thuisgekomen markeert die eerdere voltooiing.

Ontdek ook