Een persoon ontmoeten of iets geven
Vergelijk: “De gids begroet hen” en “De gids geeft hun een plattegrond.” In de eerste zin zijn de bezoekers het lijdend voorwerp. In de tweede zin ontvangen zij iets: hun is daar het meewerkend voorwerp zonder voorzetsel. Het feit dat beide zinnen over dezelfde bezoekers gaan, bepaalt de vorm dus niet.
Een voorzetsel verandert de keuze
Schrijf “De gids geeft een plattegrond aan hen”. Na aan staat volgens deze regel hen. Ook na met, voor en naast gebruik je hen bij deze persoonlijke verwijzing. Leer daarom niet alleen het werkwoord uit je hoofd: een andere zinsbouw kan een andere vorm opleveren.
Houd de rollen uit elkaar
In “Hun jassen hangen binnen” geeft hun bezit aan. Dat is een ander gebruik dan de ontvanger in de geefzin. Als onderwerp gebruik je in de standaardtaal zij of ze: “Zij wachten buiten.” In gesproken Nederlands wordt het onderscheid hen/hun niet altijd volgens de schoolregel gemaakt. Deze oefening richt zich op verzorgde schrijftaal; ingewikkelde werkwoordconstructies kunnen extra naslag vragen.
Oefen met deze voorbeelden
- Kies: “Ik wandel met hen/hun naar de zaal.”
- Vul tweemaal in: “De trainer ziet ... en geeft ... een aanwijzing.”
Antwoorden met uitleg
- Hen: met is een voorzetsel.
- De trainer ziet hen en geeft hun een aanwijzing. Hen is lijdend voorwerp; hun noemt de ontvangers zonder voorzetsel.