Iets uit een groep aanwijzen
In “Neem deze map” selecteert deze een map. Deze en die gebruik je bij de-woorden en meervouden; dit en dat bij enkelvoudige het-woorden. Vergelijk deze stoel, dit bureau en die bureaus. Deze en dit kunnen iets dichtbij aanduiden; die en dat kunnen meer afstand uitdrukken, ook in een gesprek over iets dat eerder genoemd is.
Naar iemand of iets vragen
Wie en wat kunnen zelfstandig voorkomen: “Wie klopt?” en “Wat ontbreekt?” Welk en welke horen vaak bij een zelfstandig naamwoord, zoals in “Welk antwoord kies je?” Daarmee vraag je om een keuze uit mogelijkheden. In “Welke fiets is van jou?” is welke vragend en jou persoonlijk.
Niet elk vraagwoord is een voornaamwoord
Waar, wanneer en hoe leiden ook vragen in, maar worden doorgaans als vragende bijwoorden benoemd. Ze vragen bijvoorbeeld naar plaats, tijd of manier. De betekenis van de vraag helpt dus om binnen de grote groep vraagwoorden een onderscheid te maken.
Let ook op de taak binnen de zin. Dat in “Dat pakket is zwaar” wijst aan. Dat in “Ik hoor dat je verhuist” verbindt een bijzin en is een voegwoord. De losse letters geven niet genoeg informatie om de woordsoort met zekerheid te benoemen.
Oefen met deze voorbeelden
- Vul aan: “… raam staat open”, als je een raam dichtbij aanwijst.
- Vergelijk “Wie vertrekt?” met “Wanneer vertrek je?” Welk vraagwoord is een vragend voornaamwoord?
Antwoorden met uitleg
- Dit raam. Raam is een enkelvoudig het-woord.
- Wie is een vragend voornaamwoord; wanneer is een vragend bijwoord dat naar het tijdstip vraagt.