Een handeling of werking
In “De tuinman heeft de heg gesnoeid” vormen heeft gesnoeid in de schoolontleding het werkwoordelijk gezegde. Gesnoeid draagt de belangrijkste werkwoordelijke betekenis; heeft helpt de werkwoordsvorm opbouwen. De woorden hoeven niet naast elkaar te staan om samen bij het gezegde te horen.
Een eigenschap of identiteit
In “De tuinman is tevreden” vertelt tevreden hoe de tuinman is. Is verbindt het onderwerp met die eigenschap. Het naamwoordelijk gezegde is is tevreden. Ook een zelfstandig naamwoord kan de kern zijn: in “Mijn buurvrouw wordt voorzitter” hoort voorzitter bij wordt en zegt het wat de buurvrouw wordt.
Kijk naar het gebruik van zijn en worden
Het aantreffen van is of wordt bewijst niet dat je een naamwoordelijk gezegde hebt. Vergelijk “De poort wordt groen” met “De poort wordt geschilderd”. Groen geeft een eigenschap aan; geschilderd noemt een handeling in de lijdende vorm. De tweede zin heeft daarom een werkwoordelijk gezegde.
Controleer dus of het naamwoordelijke deel een kenmerk of identiteit van het onderwerp uitdrukt. Een woordgroep die zegt waar iets is, zoals in “De fiets staat in de schuur”, werkt anders. Maak bij twijfel eerst een parafrase in gewone taal en kijk dan pas welke grammaticale term past.
Oefen met deze voorbeelden
- Benoem het gezegde in “De lucht blijft grijs”.
- Is “wordt gerepareerd” in “De brug wordt gerepareerd” naamwoordelijk?
Antwoorden met uitleg
- Blijft grijs is een naamwoordelijk gezegde. Grijs noemt de blijvende eigenschap van de lucht.
- Nee. Wordt gerepareerd is werkwoordelijk; het beschrijft een passieve handeling, geen naamwoordelijke eigenschap.