Beschrijf je een zelfstandig naamwoord?
Een bijvoeglijk naamwoord noemt een kenmerk of toestand. In “de vrolijke gids” zegt vrolijke iets over gids. Het woord hoeft niet direct vóór het zelfstandig naamwoord te staan. Ook in “De gids is vrolijk” beschrijft vrolijk de gids; het hoort daar bij het naamwoordelijk gezegde.
Beschrijf je een handeling of eigenschap?
Een bijwoord kan een handeling nader bepalen. In “De gids vertelt duidelijk” gaat duidelijk over de manier van vertellen. Een bijwoord kan ook bij een bijvoeglijk naamwoord horen: in “een bijzonder rustige straat” versterkt bijzonder de eigenschap rustig. Vraag dus niet alleen of het woord in de buurt van een naamwoord staat.
Volg de betekenisrelatie
Vergelijk “een harde klap” met “Zij werkt hard”. In het eerste voorbeeld beschrijft harde de klap; in het tweede vertelt hard iets over het werken. In de gebruikelijke schoolgrammatica noem je hard in de tweede zin een bijwoord. Dezelfde woordvorm kan afhankelijk van het gebruik verschillend worden benoemd.
Trek tijdens het oefenen een denkbeeldige pijl van het beschrijvende woord naar datgene wat het nader bepaalt. Als je die relatie kunt uitleggen, is de benoeming beter onderbouwd dan wanneer je alleen op een uitgang let. Een bijwoord is bovendien een woordsoort; de term bijwoordelijke bepaling gaat over de taak van een zinsdeel.
Oefen met deze voorbeelden
- Waarop heeft erg betrekking in “een erg smalle doorgang”?
- Benoem zacht in “De stof is zacht” en “Hij praat zacht”.
Antwoorden met uitleg
- Erg versterkt smalle en is een bijwoord. Smalle beschrijft doorgang en is een bijvoeglijk naamwoord.
- In de eerste zin is zacht een bijvoeglijk naamwoord: het beschrijft de stof. In de tweede zin bepaalt zacht de manier van praten en is het een bijwoord.