Talenkoning · Grammatica

Voorzetsels: relaties tussen woorden herkennen

Een voorzetsel laat bijvoorbeeld zien waar iets ligt, wanneer iets gebeurt of welk middel iemand gebruikt. De betekenis ontstaat samen met de woorden eromheen.

Voorzetsels: relaties tussen woorden herkennen

Kijk voorbij plaatswoorden

Onder, boven en naast passen makkelijk in een voorbeeld met een kast. Maar voorzetsels doen meer dan een plek aanwijzen. In “na de pauze” geven ze een tijdsrelatie, en in “met een kwast” een middel. Het bekende kast-trucje is dus een geheugensteun, geen volledige definitie.

Neem de bijbehorende groep mee

In “De bal ligt achter het hek” is achter het voorzetsel en achter het hek de voorzetselgroep. Je kunt die groep als geheel bekijken wanneer je later zinsdelen gaat benoemen. De woorden het hek vullen de relatie in: zonder die aanvulling weet je nog niet waarachter de bal ligt.

Vaste verbindingen leren

Sommige werkwoorden combineren met een vast voorzetsel. Denk aan twijfelen aan en rekenen op. De betekenis is dan niet eenvoudig uit een plaats te tekenen. Leer zo’n combinatie daarom met een voorbeeldzin: “Wij rekenen op hulp”. Je onthoudt daarmee het gebruik en niet alleen een los voorzetsel.

Het woord staat gewoonlijk vóór de groep die erbij hoort, maar er bestaan ook constructies zoals “Zij loopt de berg op”. In deze richtingsconstructie staat op achter de groep. Begin bij eenvoudige plaats-, tijd- en middelrelaties en breid pas daarna uit naar zulke afwijkende posities.

Oefen met deze voorbeelden

  1. Vind het voorzetsel en de volledige voorzetselgroep in “De schilder werkt met een spons”.
  2. Welke relatie geeft na aan in “Na de voorstelling drinken we thee”?
Antwoorden met uitleg
  1. Met is het voorzetsel; met een spons is de volledige voorzetselgroep. Het middel wordt genoemd.
  2. Een tijdsrelatie: het theedrinken vindt later plaats dan de voorstelling.

Ontdek ook