Een andere manier om verleden te vormen
Vergelijk werken – werkte – gewerkt met vinden – vond – gevonden. De tweede reeks gebruikt niet de gewone verleden-tijduitgang -te of -de. Zulke sterke vormen moet je herkennen en leren. Een regel voor de slotletter van een zwakke verleden tijd lost vond dus niet op.
Bewaar meer dan één verleden vorm
Schrijf bij kiezen zowel koos als gekozen. Alleen koos onthouden vertelt je nog niet hoe het voltooid deelwoord eruitziet. Maak daarna twee zinnen: “Gisteren koos ik een kaart” en “Ik heb een kaart gekozen”. Zo verbind je de vorm aan zijn functie in de zin.
Vul geen patroon blind in
Werkwoorden met een vergelijkbare klank volgen niet altijd dezelfde reeks. Ook kunnen werkwoorden gemengde of andere onregelmatige vormen hebben. Gebruik een woordenboek als je een vorm niet kent. Oefen met een kleine verzameling, bedek één kolom en maak telkens een nieuwe contextzin. De bedoeling is niet om alle verleden vormen als sterke werkwoorden te bestempelen, maar om het verschil met de regelmatige vorming te begrijpen en bekende reeksen correct toe te passen.
Oefen met deze voorbeelden
- Vul aan: vinden – ... – gevonden.
- Kies: “Zij heeft de blauwe kaart koos/gekozen.”
Antwoorden met uitleg
- Vond. Bij wij wordt dat vonden.
- Gekozen. Na heeft heb je hier het voltooid deelwoord nodig, niet de enkelvoudige verleden tijd koos.