Talenkoning · Spelling

De regelmatige verleden tijd: werkte of leefde?

Om over gisteren te vertellen, gebruik je bij veel werkwoorden de of te. De keuze hangt samen met de laatste klank van de stam, niet met de lengte van het woord.

De regelmatige verleden tijd: werkte of leefde?

Een uitgang achter de stam

Bij regelmatige werkwoorden krijgt het enkelvoud -de of -te en het meervoud -den of -ten: ik werkte, wij werkten, zij belde, zij belden. Begin steeds met het hele werkwoord en bepaal de stam.

De stemloze eindklanken

Na de stemloze eindklanken t, k, f, s, ch, p en sj volgt -te. Bij de andere stamklanken volgt -de. Een geheugensteun zoals 't kofschip kan helpen, maar je moet wel weten op welke klank je de regel toepast.

Bij leven zie je in de geschreven stam leef een f, terwijl het hele werkwoord een v heeft. Je schrijft daarom leefde. Zo wordt reizen met een z in het hele werkwoord reisde. Alleen naar de laatste geschreven letter van de ik-vorm kijken leidt hier tot een fout.

Laat dubbele letters gewoon staan

Als een stam op t eindigt, kan -te een dubbele t opleveren: wachtte. Bij een stam op d kan -de een dubbele d geven: antwoordde. Die letters hebben ieder een functie. Deze les gaat over regelmatige vormen; een vorm als liep bij lopen leer je als onregelmatige verleden tijd.

Probeer het zelf

  1. Schrijf in de verleden tijd: ik werk, ik bel, ik leef, ik reis.
  2. Maak enkelvoud: wij wachtten; wij antwoordden.
Bekijk de antwoorden en uitleg
  1. Ik werkte, ik belde, ik leefde, ik reisde. Kijk bij de laatste twee ook naar leven en reizen.
  2. Ik wachtte; ik antwoordde. De dubbele medeklinker blijft in deze enkelvoudsvormen behouden.

Ontdek ook