Begin met stam en onderwerp
Voor gewone regelmatige werkwoorden gebruik je bij ik de stam: ik werk. Bij jij, u, hij en zij in het enkelvoud komt er doorgaans een t bij: jij werkt. Eindigt de stam al op een t, dan schrijf je geen dubbele t: hij wacht.
Een stam op d houdt zijn d. Daarom wordt vind + t geschreven als vindt. Dt is hier geen los trucje: je ziet de laatste letter van de stam en de toegevoegde uitgang naast elkaar.
Staat jij of je als onderwerp erachter?
Dan vervalt bij deze vormen de toegevoegde t: Jij vindt de sleutel wordt Vind jij de sleutel? Dat geldt niet op dezelfde manier voor u: Vindt u de sleutel? houdt de t.
Je is niet altijd het onderwerp
In Vindt je buurman de sleutel? hoort je bij buurman. Het onderwerp is je buurman, te vervangen door hij. Je schrijft dus vindt. Kijk niet alleen naar het woord direct na de persoonsvorm, maar bepaal wie of wat de handeling uitvoert.
Onregelmatige werkwoorden kunnen eigen vormen hebben. De stappen hierboven helpen vooral bij het gewone patroon: stam bepalen, onderwerp zoeken en daarna de volgorde controleren.
Probeer het zelf
- Vul vind of vindt in: … jij dit leuk? … je zus dit leuk? U … dit leuk.
- Vul word of wordt in: Morgen … ik wakker. Morgen … jij wakker. … je morgen vroeg wakker?
Bekijk de antwoorden en uitleg
- Vind jij; vindt je zus; u vindt. Je zus is het onderwerp in de tweede zin.
- Word, word, word. In de tweede en derde zin staat jij/je als onderwerp achter de persoonsvorm; bij ik gebruik je eveneens de stam.