Eerste stap: iemand en iets benoemen
Start met I, you, he en she, en met am, is en are. Bouw daarmee vijf zinnen over jezelf en je omgeving. Voeg a, an en the toe als je mensen of voorwerpen benoemt. Pas daarna wordt het nuttig om bezit en aantallen uitgebreider te oefenen.
Tweede stap: vertellen en vragen
Met de present simple vertel je over gewoontes. Leer tegelijk vragen en ontkenningen met do en does. Oefen niet alleen een rij vervoegingen, maar ook een kort gesprek: wat doe je, wanneer doe je dat en wat doe je niet? De lessen hieronder behandelen die bouwstenen afzonderlijk.
Derde stap: een echte situatie
Kies een restaurant, hotel of afspraak als oefensituatie. Schrijf eerst drie zinnen die je zelf nodig hebt en bedenk twee mogelijke antwoorden. Loop je vast op een vorm, open dan de bijbehorende grammaticapagina. Zo blijft grammatica gekoppeld aan wat je wilt zeggen.
Voorbeelden met uitleg
- I am Noor. I live in Utrecht.
Twee kleine zinnen met verschillende werkwoorden. - Do you speak Dutch?
Een bruikbare vraag met do; niet elke vraag begint met are. - Could you repeat that, please?
Een herstelzin voor wanneer je het antwoord nog niet begrijpt.
Probeer het zelf
- Kies je eerste les als je twijfelt tussen I en me.
- Wat oefen je naast “She works here”?
- Maak een haalbaar doel voor een hotelsituatie.
Bekijk de antwoorden en uitleg
- Open de les over persoonlijke voornaamwoorden. Leer de onderwerps- en voorwerpsvorm samen.
- Bijvoorbeeld Does she work here? en She does not work here. Zo oefen je meer dan alleen een bevestigende zin.
- Bijvoorbeeld: ik kan mijn naam geven, mijn reservering noemen en naar de ontbijttijd vragen. Dat is concreter dan “ik wil beter Engels”.