Begin met een kleine basis
Me llamo, vivo en en quisiera helpen bij kennismaken en vragen. Leer ser, estar en tener in korte zinnen. Noteer zelfstandige naamwoorden met el of la en hun meervoud. Het onderscheid tussen ser en estar verdient een eigen les; “permanent tegenover tijdelijk” is daarvoor te beperkt.
Bouw zelf zinnen
Begin met regelmatige werkwoorden op -ar, -er en -ir. Oefen daarna vragen, ontkenning, bezit en aantallen. Leer het woord dat je kent ook in een andere persoon: hablo, hablas, hablamos. Zo oefen je niet alleen een vaste introductie.
Kies een praktische route
Een restaurant vraagt andere zinnen dan een hotel. Oefen een mini-gesprek en gebruik de grammaticapagina’s wanneer je vastloopt. Veel vormen verschillen regionaal, bijvoorbeeld vosotros en ustedes. De lessen benoemen zulke verschillen, zodat één variant niet onterecht als enige juiste wordt gepresenteerd.
Voorbeelden met uitleg
- Me llamo Noor y vivo en Utrecht.
Naam en woonplaats. - Quisiera una habitación para dos noches.
Een beleefde wens in een hotel. - ¿Puede repetirlo, por favor?
Een herstelzin in een gesprek.
Probeer het zelf
- Welke les kies je bij soy tegenover estoy?
- Hoe leer je een nieuw zelfstandig naamwoord?
- Maak een klein doel voor een restaurantgesprek.
Bekijk de antwoorden en uitleg
- De les ser of estar.
- Met lidwoord, betekenis en meervoud, bijvoorbeeld la mesa, las mesas.
- Bijvoorbeeld: een tafel vragen, water bestellen en om de rekening vragen.