De vormen
Bij -ar gebruik je -aba, -abas, -aba, -ábamos, -abais, -aban. Bij -er en -ir gebruik je -ía, -ías, -ía, -íamos, -íais, -ían. De belangrijkste onregelmatige basiswerkwoorden zijn ser → era, ir → iba en ver → veía. Leer de accenten mee.
Achtergrond en onderbreking
Llovía cuando llegamos zet het regenen als achtergrond neer en aankomen als gebeurtenis. Cuando era niño, leía mucho beschrijft een gewoonte. Vergelijk vivía allí met viví allí dos años: de tweede zin omlijnt het verblijf als afgesloten geheel. Het is niet zo dat lange handelingen altijd imperfecto moeten krijgen.
Voorbeelden met uitleg
- La casa era pequeña.
Een beschrijving in het verleden. - Cada verano visitábamos a nuestros abuelos.
Een vroegere gewoonte. - Preparaba la cena cuando sonó el teléfono.
Achtergrond plus gebeurtenis. - Antes iba al trabajo en bicicleta.
Een vroegere gewoonte met ir.
Probeer het zelf
- Vul in: Nosotros ___ mucho. (hablar, imperfecto)
- Vul in: Yo ___ en ese barrio. (vivir, imperfecto)
- Welke tijd past voor de achtergrond: hacía frío of hizo frío toen je binnenkwam?
- Maak imperfecto: Ella va al parque.
Bekijk de antwoorden en uitleg
- Hablábamos, met accent.
- Vivía.
- Hacía frío, wanneer je de kou als achtergrond beschrijft.
- Ella iba al parque.