Een ja/nee-vraag vormen
Van du wohnst hier maak je Wohnst du hier? Bij een scheidbaar werkwoord blijft het losse deel achteraan: Rufst du morgen an? Een hulpwerkwoord komt vooraan: Hast du das gesehen? Oefen de vraag samen met een kort, inhoudelijk antwoord.
Het juiste vraagwoord kiezen
Wer vraagt naar wie, was naar wat, wann naar wanneer en warum naar waarom. Wo gaat over een plaats, wohin over een richting en woher over herkomst. Wie kan hoe betekenen: wie heißt du? vraagt hoe je heet. Verwar wer en het Engelse where niet.
Voorbeelden met uitleg
- Wo wohnen Sie?
Waar woont u? - Wohin fährt dieser Bus?
Waar gaat deze bus naartoe? - Wann beginnt der Film?
Wanneer begint de film? - Hast du heute Zeit?
Een ja/nee-vraag met haben.
Probeer het zelf
- Maak een vraag: Du lernst Deutsch.
- Vraag waar iemand vandaan komt, informeel.
- Kies voor een bestemming: wo / wohin?
- Verbeter: Wann du kommst?
Bekijk de antwoorden en uitleg
- Lernst du Deutsch?
- Woher kommst du?
- Wohin.
- Wann kommst du? In een gewone directe vraag staat de persoonsvorm na het vraagwoord.