Talenkoning · Duits

Duitse modale werkwoorden

Duitse modale werkwoorden veranderen hoe je naar een handeling kijkt: kunnen, moeten, mogen of willen. De belangrijkste basiswoorden zijn können, müssen, dürfen, sollen, wollen en mögen. Het modale werkwoord wordt vervoegd; een tweede werkwoord staat meestal als infinitief achteraan.

Duitse modale werkwoorden

Betekenissen niet verwisselen

Ich kann schwimmen zegt iets over vermogen. Ich darf schwimmen zegt dat het toegestaan is. Ich muss arbeiten zegt dat het moet; ich soll arbeiten kan een opdracht of verwachting van iemand anders weergeven. Ich möchte is een beleefde wensvorm bij mögen.

Vormen en ontkenning

Veel enkelvoudsvormen zijn onregelmatig: ich kann/du kannst/er kann; ich muss/du musst/er muss; ich darf/du darfst/er darf. Bij niet moeten is het onderscheid belangrijk: nicht müssen betekent niet hoeven; nicht dürfen betekent niet mogen. Na een modal komt hier geen zu.

Voorbeelden met uitleg

  • Wir können morgen kommen.
    Mogelijkheid met infinitief achteraan.
  • Du darfst hier nicht rauchen.
    Een verbod.
  • Ihr müsst nicht warten.
    Wachten is niet verplicht.
  • Ich möchte ein Glas Wasser.
    Een beleefde wens zonder tweede werkwoord.

Probeer het zelf

  1. Vertaal: Je hoeft niet te komen.
  2. Vertaal: Je mag niet binnenkomen.
  3. Verbeter: Ich kann zu schwimmen.
  4. Vul in: ___ du mir helfen? (können)
Bekijk de antwoorden en uitleg
  1. Du musst nicht kommen.
  2. Du darfst nicht hereinkommen.
  3. Ich kann schwimmen.
  4. Kannst du mir helfen?

Ontdek ook