Y voor plaats en bepaalde à-relaties
Je vais à Lyon wordt j’y vais. Je pense à ce projet kan j’y pense worden. Bij een persoon na à gebruik je niet zomaar y: je pense à elle is een ander patroon. De betekenis en het werkwoord blijven dus belangrijk.
En voor de en hoeveelheid
Je parle de ce livre wordt j’en parle. J’ai trois livres wordt j’en ai trois: het getal blijft staan. Bij een hoeveelheid hoort soms nog een aanduiding zoals beaucoup of un. De voornaamwoorden staan in gewone zinnen meestal vóór het werkwoord, of vóór de bijbehorende infinitief.
Voorbeelden met uitleg
- Tu vas au marché ? Oui, j’y vais.
Y vervangt de bestemming. - Tu as des pommes ? Oui, j’en ai.
En verwijst naar een onbepaalde hoeveelheid. - J’en voudrais deux.
Het getal blijft staan. - Nous allons y travailler.
Y hoort bij de infinitief travailler.
Probeer het zelf
- Vervang à Paris: Nous habitons à Paris.
- Vervang des billets: J’ai deux billets.
- Waarom is “j’en ai” niet altijd hetzelfde als “j’en ai trois”?
- Vervang de ce problème: Nous parlons de ce problème.
Bekijk de antwoorden en uitleg
- Nous y habitons.
- J’en ai deux.
- De tweede zin behoudt het precieze aantal.
- Nous en parlons.