Het deelwoord en hulpwerkwoord
Parler → parlé, finir → fini en vendre → vendu zijn bruikbare modellen. Veel onregelmatige werkwoorden hebben eigen vormen: fait, pris, vu. De meeste werkwoorden gebruiken avoir. Een groep werkwoorden en wederkerende werkwoorden gebruiken être, zoals elle est arrivée en elle s’est levée.
Overeenkomst en een belangrijke grens
Bij être komt het deelwoord in eenvoudige niet-wederkerende gevallen overeen met het onderwerp: ils sont partis, elles sont parties. Bij avoir blijft het deelwoord normaal onveranderd, behalve onder meer wanneer het lijdend voorwerp ervoor staat. Wederkerende werkwoorden hebben aanvullende regels; “altijd overeenkomst bij être” is daarvoor te simpel.
Voorbeelden met uitleg
- Nous avons regardé le film.
Avoir plus regardé. - Elle est arrivée hier.
Être met vrouwelijke overeenkomst. - Ils ont pris le train.
Pris is een onregelmatig deelwoord. - Elles sont allées au marché.
Vrouwelijk meervoud met être.
Probeer het zelf
- Vul in: J’___ parlé à Noor.
- Vul in: Elle est parti___.
- Maak verleden tijd: Nous finissons le travail.
- Waarom is “j’ai allé” in de gewone reisbetekenis fout?
Bekijk de antwoorden en uitleg
- Ai.
- Partie, in deze gewone être-constructie.
- Nous avons fini le travail.
- Aller gebruikt hier être: je suis allé of allée, passend bij de spreker.