Feit of bekendheid
Bij een bijzin zoals dass of wo gebruik je vaak wissen: ich weiß, wo sie wohnt. Bij een persoon past kennen: ich kenne deine Schwester. Je hoeft de persoon niet heel goed te kennen om die vorm te gebruiken. Een herkenbare zaak kan eveneens met kennen worden genoemd.
De vormen apart leren
Wissen is onregelmatig: ich weiß, du weißt, er weiß, wir wissen, ihr wisst, sie wissen. Kennen: ich kenne, du kennst, er kennt, wir kennen, ihr kennt, sie kennen. De verleden vormen zijn wusste en kannte; de deelwoorden gewusst en gekannt.
Voorbeelden met uitleg
- Weißt du, wann der Film beginnt?
Een feitelijke vraag. - Kennst du dieses Lied?
Bekendheid met een lied. - Ich kenne Berlin, aber ich weiß die Adresse nicht.
Bekendheid en een ontbrekend feit in één zin.
Probeer het zelf
- Kies: Ich weiß / kenne deinen Bruder.
- Vul in: ___ du, wie spät es ist?
- Maak verleden tijd: Ich kenne die Antwort nicht.
- Welke vorm hoort bij ich van wissen?
Bekijk de antwoorden en uitleg
- Kenne.
- Weißt.
- Ich kannte die Antwort nicht. Bij “de antwoordinhoud weten” kan Ich wusste die Antwort nicht ook natuurlijk zijn.
- Ich weiß.