Talenkoning · Duits

Wissen of kennen: weten en kennen in het Duits

Wissen gaat vaak over feiten of weten dat iets zo is. Kennen gaat over bekendheid met personen, plaatsen of zaken. Vergelijk ich weiß die Antwort met ich kenne diese Stadt. Het Nederlandse kennen en weten helpt, maar volledige Duitse patronen blijven belangrijk.

Wissen of kennen: weten en kennen in het Duits

Feit of bekendheid

Bij een bijzin zoals dass of wo gebruik je vaak wissen: ich weiß, wo sie wohnt. Bij een persoon past kennen: ich kenne deine Schwester. Je hoeft de persoon niet heel goed te kennen om die vorm te gebruiken. Een herkenbare zaak kan eveneens met kennen worden genoemd.

De vormen apart leren

Wissen is onregelmatig: ich weiß, du weißt, er weiß, wir wissen, ihr wisst, sie wissen. Kennen: ich kenne, du kennst, er kennt, wir kennen, ihr kennt, sie kennen. De verleden vormen zijn wusste en kannte; de deelwoorden gewusst en gekannt.

Voorbeelden met uitleg

  • Weißt du, wann der Film beginnt?
    Een feitelijke vraag.
  • Kennst du dieses Lied?
    Bekendheid met een lied.
  • Ich kenne Berlin, aber ich weiß die Adresse nicht.
    Bekendheid en een ontbrekend feit in één zin.

Probeer het zelf

  1. Kies: Ich weiß / kenne deinen Bruder.
  2. Vul in: ___ du, wie spät es ist?
  3. Maak verleden tijd: Ich kenne die Antwort nicht.
  4. Welke vorm hoort bij ich van wissen?
Bekijk de antwoorden en uitleg
  1. Kenne.
  2. Weißt.
  3. Ich kannte die Antwort nicht. Bij “de antwoordinhoud weten” kan Ich wusste die Antwort nicht ook natuurlijk zijn.
  4. Ich weiß.

Ontdek ook