Wie of wat krijgt een plaats?
In “Ik zet de vaas op de kast” is de vaas het voorwerp dat je verplaatst. In “Er zit een kras op de vaas” beschrijf je een toestand. Zitten betekent niet alleen dat iemand een zittende houding heeft. Het kan ook aangeven dat iets ergens in, op of aan vastzit.
Verleden tijd en vaste verbindingen
Gebruik zat en gezeten bij zitten; zette en gezet bij zetten. Sommige combinaties hebben een eigen betekenis: thee zetten, een handtekening zetten, ergens mee zitten. Probeer zulke verbindingen niet met één ruimtelijke regel te verklaren. Vraag eerst of het om een letterlijk plaatsen of om een vaste uitdrukking gaat.
Voorbeelden met uitleg
- Er zit een brief in de doos.
Je beschrijft de inhoud, niet wie de brief erin deed. - Zet de doos onder de tafel.
Dit is een opdracht om iets te plaatsen. - Zij heeft thee gezet.
Thee zetten is een vaste woordcombinatie.
Probeer het zelf
- Vul aan: Wij hebben de stoelen buiten ... .
- Verbeter: Ik zette gisteren drie uur in de trein.
- Maak een zin met zitten en een met zetten over een vogelkooi.
Bekijk de antwoorden en uitleg
- Gezet. De stoelen zijn door ons verplaatst.
- Ik zat gisteren drie uur in de trein. Je bedoelt een toestand gedurende een periode.
- De vogel zit in de kooi. Ik zet de kooi bij het raam. In de eerste zin blijft iets op zijn plek; de tweede benoemt een verplaatsing.