Zoek wat wordt verplaatst
In “Sara legt de kaart op tafel” handelt Sara en wordt de kaart verplaatst. In “De kaart ligt op tafel” beschrijf je waar de kaart is. Je hoeft niet te weten wie haar daar heeft neergelegd. Deze proef is bruikbaarder dan alleen onthouden dat de woorden op elkaar lijken.
Houd de vormen bij hun werkwoord
De reeks is liggen – lag – gelegen. De andere reeks is leggen – legde – gelegd. Het Nederlands heeft daarnaast vaste verbindingen, zoals ergens aan liggen en nadruk leggen op iets. In zulke verbindingen kun je niet letterlijk naar een horizontale positie kijken; leer de combinatie als geheel.
Voorbeelden met uitleg
- Het boek ligt naast de lamp.
Liggen beschrijft de huidige positie. - Gisteren legde ik het boek naast de lamp.
Legde is de verleden tijd van leggen. - Dat heeft aan de planning gelegen.
Een vaste combinatie met liggen; gelegen is het deelwoord.
Probeer het zelf
- Vul aan: Gisteren ... de sleutel onder de mat.
- Verbeter: Ik heb de papieren op de balie gelegen.
- Herschrijf als toestand: De docent legt drie kaarten klaar.
Bekijk de antwoorden en uitleg
- Lag, als je bedoelt waar de sleutel zich bevond. Er wordt geen neerleggende persoon genoemd.
- Ik heb de papieren op de balie gelegd. Je beschrijft het neerleggen door een persoon.
- Drie kaarten liggen klaar. De aandacht verschuift van de handeling naar het resultaat.