Bekend zijn of in staat zijn
Bij kennen volgt vaak een persoon, plek, tekst of gegeven: ik ken de buurvrouw, ik ken het adres. Bij kunnen volgt vaak een ander werkwoord: ik kan zwemmen, ik kan komen. Dat tweede werkwoord kan wegblijven als het uit de context duidelijk is: kan dat morgen?
Let ook op de vervoeging
Bij kennen horen ken, kent, kende en gekend. Bij kunnen horen kan of kunt, kon en gekund. Zowel je kan als je kunt is mogelijk; dat is een andere kwestie dan kennen en kunnen verwisselen. “Ik ken goed zwemmen” is geen geschikte standaardformulering voor een vaardigheid. Schrijf daar: ik kan goed zwemmen.
Voorbeelden met uitleg
- Ik ken de route.
Je bent bekend met de weg. - Ik kan de route fietsen.
Je bent in staat die route af te leggen. - Ken je Noor? Kun je haar bellen?
De eerste vraag gaat over bekendheid; de tweede over een mogelijke handeling.
Probeer het zelf
- Vul aan: Ik ... dit woord, maar ik ... het niet uitspreken.
- Verbeter: Wij kunnen dat restaurant al jaren.
- Maak twee zinnen met dezelfde aanvulling “dit lied”.
Bekijk de antwoorden en uitleg
- Ken; kan. Het woord is bekend, de uitspraak lukt nog niet.
- Wij kennen dat restaurant al jaren. Je bedoelt bekendheid met een plek.
- Ik ken dit lied. Ik kan dit lied spelen. In de tweede zin maakt spelen duidelijk welke vaardigheid je bedoelt.