Waar of waarheen?
De negen veelgebruikte wisselvoorzetsels zijn an, auf, hinter, in, neben, über, unter, vor en zwischen. Das Buch liegt auf dem Tisch beschrijft een positie. Ich lege das Buch auf den Tisch beschrijft een verplaatsing naar die positie. Wo? en Wohin? helpen bij dit ruimtelijke gebruik.
Beweging is niet automatisch accusatief
Die Kinder laufen im Garten betekent dat het rennen in de tuin plaatsvindt: in dem wordt im. Die Kinder laufen in den Garten geeft een richting de tuin in. Vaste niet-ruimtelijke combinaties kunnen een eigen naamval hebben en vallen niet simpel onder de waar/waarheen-test.
Voorbeelden met uitleg
- Die Tasche steht neben dem Stuhl.
Plaats: datief. - Ich stelle die Tasche neben den Stuhl.
Nieuwe positie: accusatief. - Wir schwimmen im See.
Beweging binnen de plaats, toch datief. - Er springt in den See.
Richting het meer in: accusatief.
Probeer het zelf
- Kies: Das Bild hängt an der / die Wand.
- Kies: Ich hänge das Bild an der / die Wand.
- Waarom is im Park in “Wir laufen im Park” juist?
- Maak een paar met liegen en legen.
Bekijk de antwoorden en uitleg
- An der Wand: het hangt daar, datief.
- An die Wand: naar een nieuwe positie, accusatief.
- De beweging vindt binnen het park plaats; het is geen richting het park in.
- Das Heft liegt auf dem Tisch. Ich lege das Heft auf den Tisch.