De tien tafelsommen
| Som | Uitkomst |
|---|---|
| 1 × 1 | 1 |
| 2 × 1 | 2 |
| 3 × 1 | 3 |
| 4 × 1 | 4 |
| 5 × 1 | 5 |
| 6 × 1 | 6 |
| 7 × 1 | 7 |
| 8 × 1 | 8 |
| 9 × 1 | 9 |
| 10 × 1 | 10 |
Eén keer een hoeveelheid nemen
Een bak bevat zeven knikkers. Neem je precies één zo’n bak, dan heb je zeven knikkers: 1 × 7 = 7. Bij 7 × 1 kun je denken aan zeven bakjes met ieder één knikker. De groepering verschilt, maar het totaal blijft gelijk. Teken beide situaties om dat verschil te zien.
Niet verwarren met één erbij
Vermenigvuldigen met één is iets anders dan optellen met één. Bij 6 × 1 blijft het aantal zes; bij 6 + 1 komt er iets bij en krijg je zeven. Spreek daarom uit welke handeling je doet. Het teken tussen de getallen bepaalt wat je berekent.
Gebruik deze tafel als controle
Wanneer een grotere berekening een factor één bevat, hoef je geen extra hoeveelheid te bedenken. Controleer eerst of het echt om vermenigvuldigen gaat. Oefen met voorwerpen en schrijf daarna pas de kale som. Zo wordt de regel een gevolg van groeperen en niet alleen een zin die je moet onthouden.
Oefen met deze voorbeelden
- Wat is 9 × 1?
- Waarom is 4 × 1 niet hetzelfde als 4 + 1?
Antwoorden met uitleg
- 9: negen groepjes van één geven negen.
- De eerste som behoudt vier; de tweede voegt één toe en wordt vijf.