Wat moet er na het lezen gebeuren?
Vergelijk twee korte berichten. “De tentoonstelling opent zaterdag om elf uur” geeft vooral informatie. “Kom zaterdag naar onze verrassende tentoonstelling en ontdek je nieuwe favoriete kunstenaar” probeert de lezer ook tot bezoek aan te zetten. Het onderwerp kan gelijk zijn terwijl de bedoeling verschilt.
Kijk naar meer dan de titel
Een aansporing, argumenten, een stappenreeks of een vertellende scène kan helpen het doel te herkennen. Zoek meerdere aanwijzingen. Een informatieve tekst kan ook aantrekkelijk geschreven zijn; een leuke formulering maakt hem niet meteen uitsluitend amuserend. Teksten kunnen bovendien verschillende doelen combineren.
Voor wie is de uitleg gemaakt?
Een tekst voor beginnende schakers licht rokade mogelijk toe. Een bericht voor ervaren wedstrijdspelers kan die kennis veronderstellen. Het publiek blijkt dus onder andere uit wat wel en niet wordt uitgelegd. Vul een exacte leeftijd of opleiding niet in als de tekst daarvoor geen aanwijzingen geeft.
Je eigen leesdoel kan afwijken van het schrijversdoel. Jij kunt een reclame lezen om een openingsdatum te vinden, terwijl de schrijver vooral bezoekers wil trekken. Benoem in je antwoord expliciet wiens doel je onderzoekt. Dat voorkomt dat zoeken naar één gegeven verward wordt met de bedoeling van de hele tekst.
Oefen met deze voorbeelden
- Welk doel ligt voor de hand bij “Volg deze drie stappen om je plantenbak in elkaar te zetten”?
- Kun je uit één moeilijk woord zeker afleiden dat een tekst alleen voor volwassenen bedoeld is?
Antwoorden met uitleg
- Instrueren. De schrijver wil de lezer helpen een handeling uit te voeren.
- Nee. Bekijk de gehele inhoud en het veronderstelde kennisniveau; één woord is onvoldoende onderbouwing.