Vers 1
Zwijg niet, o God, houd U niet doof. Wij worden, zo Gij zwijgt, ten roof; Wees toch niet stil, ai, wil ontwaken; Want zie, o God, Uw haters maken Een krijgsgetier om zich te wreken; Zij durven stout den kop opsteken.
Vers 2
Hun aanslag is verwoed en boos; Zij zoeken, heimelijk en loos, Uw volk, dat zij zo bits verachten, Te dempen met vereende krachten; Dat Gij, met zoveel gunst en zorgen, Houdt, als een schat, bij U verborgen.
Vers 3
Zij zeiden stout, en heet op buit: „Komt aan, men roei’ gans Isrel uit; Opdat dit volk, gelijk voor dezen, Voortaan geen volk meer moge wezen; Dat niemand Isrels naam doe horen, Dat zijn gedachtnis ga verloren.”
Vers 4
Want samen zijn zij ’t eens geraakt; ’t Verbond is tegen U gemaakt; Daar zien wij Edoms tenten naad’ren; Ginds Ismaël zich saam vergaad’ren; De Moabieten, Hagarenen En Gebal zich in ’t veld verenen.
Vers 5
Met hen trekt Ammon éne lijn, En Amalek, en Palestijn, En die in ’t rijke Tyrus wonen; Ook liet zich Assur bij hen tronen, Een machtig rijk, waarop zij leunen, En Lots ontaarde kinders steunen.
Vers 6
Dat hen, o God, Uw gramschap sla, Als Midian, als Sisera, Als Jabin, die bij Kisons stromen En t’Endor gans zijn omgekomen, Wanneer Uw ijver niemand spaarde, Maar hen vertrad als slijk der aarde.
Vers 7
Sla hen en hunne prinsen, HEER’, Als Oreb en als Zeëb neer. Doe al hun vorsten, hoe verheven, Als Zebah en Zalmuna sneven; Die met geweld Gods land en daken Zich wilden ter bezitting maken.
Vers 8
Maak dat dit volk geen rustplaats vind’; Verstrooi hen door een wervelwind Als stoppels, door een storm gedreven, Als wouden, ’t vuur ter prooi gegeven, Als bergen, in wier ingewanden Ontstoken pik en zwavel branden.
Vers 9
Vervolg ze dus van oord tot oord, En drijf ze met Uw onweer voort. Verschrik hen met Uw dwarrelwinden. Zodat zij rust noch schuilplaats vinden. Doe hen, o HEER’, vol schande vlieden, Opdat z’Uw Naam eens hulde bieden.
Vers 10
Beschaam, verschrik hen eeuwig’lijk; Dat ieder schaamrood rugwaarts wijk’. Verniel hun heiren; doe hen weten, Dat Gij alleen de HEER’ moogt heten; Die grote Naam van ’t hoogste Wezen. Doe ’t wereldrond eerbiedig vrezen.