Vers 1
In d’achtb’re Godsvergaderingen Staat God, als Richter der gedingen. Hij oordeelt over goed en kwaad, In ’t midden van der goden raad: „Hoe lang zult gij van ’t richtsnoer wijken, Een onrechtvaardig vonnis strijken, En acht slaan op het aangezicht Der goddelozen in ’t gericht?”
Vers 2
Toont aller goden God te vrezen; Doet recht aan armen en aan wezen, Rechtvaardigt hem, die billijk klaagt, Verdrukt of arm uw hulpe vraagt; Verlost geringen uit hun lijden, En wilt behoeftigen bevrijden, Rukt z’uit der goddelozen hand; Gerechtigheid verhoogt een land.
Vers 3
Maar ach, hier is het recht vergeten; Men heeft noch kennis noch geweten; Men wandelt in de duisternis; Het wankelt al, wat zeker is; Dies ziet men ’s aardrijks grondvest beven ’k heb wel voorheen u d’eer gegeven, Dat Ik u goden heb genoemd En als Gods kinderen geroemd!
Vers 4
Gij zult nochtans het leven derven, En als gemene mensen sterven; Eens storten van den stoel der eer In ’t graf, als elk der vorsten, neer. Sta op, o God, en wil ontwaken. Ai, oordeel ’t aardrijk, richt de zaken; Want Gij bezit op aard’ alom De volkeren in eigendom.