Vers 1
Mijn ziel is immers stil tot God; Van Hem wacht ik een heilrijk lot. Hij immers zal mijn rotssteen wezen; Mijn heil, mijn hulp in mijn gebrek; Mijn toevlucht en mijn hoog vertrek. Ik zal geen grote wank’ling vrezen.
Vers 2
Hoe lang, o wreedaards, zoekt gij dan Het kwade nog van zulk een man? Uw kracht is veel te zwak en teder; Haast sterft gij allen door Gods hand. Zo stort een ingebogen wand, Een aangestoten muur terneder.
Vers 3
Zij raadslaan slechts, vervoerd door haat, Om hem uit zijnen hogen staat Te stoten met bedrog; en zoeken Met lust hiertoe een logenvond; Zij zeegnen wel met hunnen mond, Maar ’t godd’loos hart doet niets dan vloeken.
Vers 4
Doch gij, mijn ziel, het ga zo ’t wil, Stel u gerust, zwijg Gode stil. Ik wacht op Hem; Zijn hulp zal blijken. Hij is mijn rots, mijn heil in nood, Mijn hoog vertrek; Zijn macht is groot; Ik zal noch wanklen, noch bezwijken.
Vers 5
In God is al mijn heil, mijn eer, Mijn sterke rots, mijn tegenweer; God is mijn toevlucht in het lijden. Vertrouw op Hem, o volk, in smart, Stort voor Hem uit uw ganse hart: God is een toevlucht t’allen tijde.
Vers 6
Gemene lieden immers zijn Slechts ijdelheid, een damp, een schijn; De groten anders niet dan logen; Zij zouden, hoe hun hart zich vleit, Nog lichter zijn dan d’ijdelheid, In ene weegschaal opgewogen.
Vers 7
Vertrouwt, wat uw begeert’ ook zij, Nooit op geweld of roverij, En wordt niet ijdel, als ’t vermogen Gedurig aanwast; waakt en let. Dat gij het hart er nooit op zet, Zo wordt ge door geen schijn bedrogen.
Vers 8
Eenmaal sprak God tot mij een woord, Tot tweemaal toe heb ik ’t gehoord; Dat ’s HEEREN zijn de sterkt’ en krachten. Ook is bij U de goedheid, HEER’; Dies heeft van U elk sterv’ling weer, Vergelding naar zijn werk te wachten.