Vers 1
Wil, o God, mijn bede horen; Neig Uw oren Naar mijn zuchten en geween. In veraf gelegen streken, Schier bezweken, Zoek ik heul bij U alleen.
Vers 2
Leid mij, HEER’; ik zou in ’t stijgen Nederzijgen; Leid mij op een hoge rots, Wil mij tot een toevlucht wezen, Als voor dezen, ’s Vijands wreed geweld ten trots.
Vers 3
’k Zal in Uwe tent verkeren, HEER’ der heren, Voor Uw oog, in eeuwigheid. ’k Zal op U mijn vast vertrouwen Altoos bouwen, Door Uw vleug’len overspreid.
Vers 4
Want Uw goedheid, die wij loven, Heeft van boven Mijn geloft’ en beê gehoord. Gij deedt mij tot d’erfnis komen Van de vromen, Wien de vrees Uws Naams bekoort.
Vers 5
Gij zult nieuwe dagen voegen, Vol genoegen, Bij des Konings levenstijd. Zijner jaren tal vermeren, In ’t regeren, Door Uw gunst van ramp bevrijd.
Vers 6
Hij zal eeuwig in vermogen, Voor Uw ogen, Zitten op zijn troon, o HEER’. Zend Uw waarheid, Uw ontferming Ter bescherming; Zend ze tot zijn wachters neer.
Vers 7
’k Zal dan door mijn blijde galmen, Door mijn psalmen, Loven Uwe Majesteit; Mijn geloften U betalen, Menigmalen Plechtig aan U toegezeid.