Vers 1
’t Hijgend hert, der jacht ontkomen, Schreeuwt niet sterker naar ’t genot Van de frisse waterstromen, Dan mijn ziel verlangt naar God. Ja, mijn ziel dorst naar den HEER’; God des levens, ach, wanneer Zal ik naad’ren voor Uw ogen, In Uw huis Uw Naam verhogen?
Vers 2
’k Heb mijn tranen, onder ’t klagen, Tot mijn spijze, dag en nacht; Daar mij spotters durven vragen; „Waar is God, dien gij verwacht?”, Mijn benauwde ziel versmelt, Als zij zich voor ogen stelt, Hoe ik onder stem en snaren, Feest hield met Gods blijde scharen.
Vers 3
O mijn ziel, wat buigt g’u neder? Waartoe zijt g’in mij ontrust? Voed het oud vertrouwen weder; Zoek in ’s Hoogsten lof uw lust; Want Gods goedheid zal uw druk Eens verwisslen in geluk. Hoop op God, sla ’t oog naar boven; Want ik zal Zijn Naam nog loven.
Vers 4
’k Denk aan U, o God, in ’t klagen, Uit de landstreek der Jordaan. Van mijn leed doe ’k Hermon wagen; ’k Roep van ’t klein gebergt’ U aan. ’k Zucht, daar kolk en afgrond loeit, Daar ’t gedruis der waat’ren groeit, Daar Uw golven, daar Uw baren Mijn benauwde ziel vervaren.
Vers 5
Maar de HEER’ zal uitkomst geven, Hij, die ’s daags Zijn gunst gebiedt. ’k Zal in dit vertrouwen leven, En dat melden in mijn lied; ’k Zal Zijn lof zelfs in den nacht Zingen, daar ik Hem verwacht; En mijn hart, wat mij moog’ treffen, Tot den God mijns levens heffen.
Vers 6
’k Zal tot God, mijn steenrots, spreken: „Waarom, HEER’, vergeet Gij mij? ’k Ga in ’t zwart, door rouw bezweken, Om mijns vijands dwinglandij, Die mij hoont, mij ’t hart doorboort, Dat gestaag deez’ lastring hoort: Waar is God, op Wien gij bouwdet, En aan Wien g’uw zaak vertrouwdet?”
Vers 7
O mijn ziel, wat buigt g’u neder? Waartoe zijt g’in mij ontrust? Voed het oud vertrouwen weder; Zoek in ’s Hoogsten lof uw lust; Menigwerf heeft Hij uw druk Doen verand’ren in geluk; Hoop op Hem, sla ’t oog naar boven. Ik zal God, mijn God, nog loven.