Vers 1
Mijn hart verheft zich niet, o HEER’, Mijn ogen zijn niet hoog; ’k verkeer, Ik wandel niet in ’t geen te groot, Te vreemd is voor Uw gunstgenoot.
Vers 2
Heb ik mijn ziel niet stil gezet, En mij verloochend naar Uw wet, Gelijk het pas gespeende kind Zich stil bij zijne moeder vind?
Vers 3
Mijn ziel, die naar den vrede haakt, En ’t morrend ongenoegen wraakt, Is in mij als een kind gespeend, En heeft zich met Uw wil vereend.
Vers 4
Dat Isrel op den HEER’ vertrouw’; Zijn hoop op Gods ontferming bouw’, En stil berust’ in Zijn beleid, Van nu tot in all’ eeuwigheid.