Vers 1
Uit diepten van ellenden Roep ik, met mond en hart, Tot U, die heil kunt zenden; O HEER’, aanschouw mijn smart; Wil naar mijn smeekstem horen; Merk op mijn jammerklacht; Verleen mij gunstig’ oren, Daar ’k in mijn druk versmacht.
Vers 2
Zo Gij in ’t recht wilt treden, O HEER’, en gadeslaan Onz’ ongerechtigheden; Ach, wie zou dan bestaan? Maar neen, daar is vergeving Altijd bij U geweest; Dies wordt Gij, HEER’, met beving, Recht kinderlijk gevreesd.
Vers 3
Ik blijf den HEER’ verwachten; Mijn ziel wacht ongestoord; Ik hoop, in al mijn klachten, Op Zijn onfeilbaar woord; Mijn ziel, vol angst en zorgen, Wacht sterker op den HEER’, Dan wachters op den morgen; Den morgen, ach, wanneer?
Vers 4
Hoopt op den HEER’, gij vromen; Is Israël in nood, Er zal verlossing komen; Zijn goedheid is zeer groot. Hij maakt, op hun gebeden, Gans Israël eens vrij Van ongerechtigheden; Zo doe Hij ook aan mij.