Vers 1
Mijn ziel verheft Gods eer; Mijn geest mag blij den HEER’, Mijn Zaligmaker noemen, Die, in haar lagen staat, Zijn dienstmaagd niet versmaadt, Maar van Zijn gunst doet roemen.
Vers 2
Want ziet, om ’s HEEREN daan, Zal elk geslacht voortaan Alom mij zalig spreken; Wijl God, na ramp en leed, Mij grote dingen deed Nu is Zijn macht gebleken.
Vers 3
Hoe heilig is Zijn Naam! Laat volk bij volk te zaam Barmhartigheid verwachten; Nu Hij de zaligheid, Voor die Hem vreest, bereidt, Door al de nageslachten.
Vers 4
Des HEEREN arm is sterk; Hij deed een krachtig werk; Die hoog zijn van gevoelen, Heeft Hij verstrooid, verward, Met alles, wat het hart, Dier trotsen mocht bedoelen.
Vers 5
Die stout zijn op hun macht, Heeft Hij, versmaad, veracht, Gestoten van de tronen; Maar Hij verhoogt en hoedt Het nederig gemoed, Waarin Zijn Geest wil wonen.
Vers 6
Hij heeft, na lang geduld, Met goederen vervuld Der hongerigen monden. Hij zag geen rijken aan, Maar heeft z’, in hunnen waan, Gans ledig weggezonden.
Vers 7
Zijn goedheid klom ten top Hij nam Zijn Isrel op, Naar ’t heil, Zijn knecht beschoren; Gelijk Hij, ons ten troost, Aan Abram en zijn kroost Voor eeuwig had gezworen.