Vers 1
Mijn ziel, herdenk met heilig beven, Hoe God, met majesteit bekleed, Zijn wet op Horeb heeft gegeven, Waar Hij deez’ woorden horen deed
Vers 2
"Ik ben de HEER’, uw God en Koning, Die van Egypte u bevrij’, U leidend uit uw slaafse woning; Dient dan geen goden nevens Mij!"
Vers 3
"Voor beeldendienst zult gij u wachten; Ik ben de HEER’, een ijv’rig God; ’k Straf dien in drie en vier geslachten Maar schenk Mijn dienaars ’t zaligst lot!"
Vers 4
"Misbruikt geenszins den Naam des HEEREN; Zweert nimmer enen valsen eed; Want hun, die Zijnen Naam onteren, Is Zijn getergde wraak gereed."
Vers 5
"Gedenkt en viert, met vee en magen, Den Sabbath, na zesdaagse vlijt God schiep ’t heelal in zoveel dagen, En heeft den Sabbath Zich gewijd."
Vers 6
"Gij zult uw ouders need’rig eren, Opdat uw God, die eeuwig leeft, Uw dagen gunstig moog’ vermeren, In ’t land, dat Zijne hand u geeft!"
Vers 7
"Gij zult niet doodslaan, noch u wreken! Breekt nooit den echt; steelt niemands goed! Gij zult geen vals getuig’nis spreken, Bemint elk met een vroom gemoed!"
Vers 8
"Uw hart zal nimmer iets begeren, Van alles, wat uws naasten is. Uw ziel zal, als uw mond, God eren, En houden Zijn getuigenis!"
Vers 9
Och, of wij Uw geboon volbrachten! Gena, o hoogste Majesteit! Gun door ’t geloof in Christus krachten; Om die te doen uit dankbaarheid.