Maak twee korte reeksen
Een verhaal begint bij een zoekgeraakte sleutel. Daarna lees je over de ruzie van de vorige avond en vervolgens over het terugvinden van de sleutel. De gebeurtenissenlijn begint bij de ruzie; de vertelvolgorde begint bij het zoeken. Schrijf beide reeksen op om het verschil zichtbaar te maken.
Herken de stap terug
Een uitgewerkte episode uit een eerder moment is een flashback. Daardoor kun je later begrijpen waarom een figuur nu zenuwachtig reageert. Een kort genoemd herinneringsfeit is niet altijd een volledige terugblikscène; houd rekening met hoe uitgebreid het eerdere moment wordt verteld. Een vooruitwijzing richt de aandacht juist op iets wat later zal gebeuren.
Vraag wat de volgorde doet
Misschien houdt de tekst een oorzaak achter, zodat je eerst een verkeerde indruk van een personage krijgt. Misschien begint het verhaal bewust bij een beslissend moment. Leg het effect uit met de informatie die de lezer op dat punt al heeft. Een verleden werkwoordsvorm is op zichzelf geen flashback: een volledig chronologisch verhaal kan van begin tot eind in de verleden tijd staan.
Oefen met deze voorbeelden
- Is “Zij liep naar huis” zonder verdere context bewijs voor een flashback?
- Wat verandert als de ruzie uit het voorbeeld pas na het zoeken wordt verteld?
Antwoorden met uitleg
- Nee. De werkwoordstijd zegt nog niets over een sprong ten opzichte van de omliggende gebeurtenissen.
- De lezer kent de mogelijke achtergrond van het zoeken pas later. Dat kan de eerdere scène een andere betekenis geven.