Talenkoning · Leestekens

Aanhalingstekens bij citaten en directe rede

Bij een citaat moet duidelijk zijn welke woorden van de spreker zijn en welke van de verteller. De plaats van de leestekens helpt die grens zichtbaar te maken.

Aanhalingstekens bij citaten en directe rede

Een hele uitspraak

Schrijf bijvoorbeeld: De bewaker zei: ‘Het museum sluit.’ De punt van de uitgesproken zin staat vóór het afsluitende aanhalingsteken. Daarna volgt geen tweede punt om de zin van de verteller nogmaals af te sluiten. Ook bij een aangehaalde vraag blijft het vraagteken bij de uitspraak: Zij vroeg: ‘Waar is de uitgang?’

Een fragment in je eigen zin

Een paar geciteerde woorden vormen niet altijd een hele zin. In “Hij noemde de tas ‘onhandig groot’.” sluit de punt de eigen zin af en staat hij buiten het citaat. Bepaal dus eerst of je een complete uitspraak citeert of alleen een woordgroep aanhaalt.

De verteller komt achteraan

Bij een vervolg met de verteller vervalt de afsluitende punt van de aangehaalde mededeling: ‘Ik wacht bij de deur’, zei de bezoeker. De komma helpt het citaat met het vervolg te verbinden. Er bestaan stijlconventies voor enkele en dubbele aanhalingstekens; gebruik binnen één tekst een consequente keuze.

Neem bij een echte bron de woorden zorgvuldig over en maak duidelijk wie spreekt. Als je de inhoud in eigen woorden weergeeft, presenteer die weergave niet als letterlijk citaat. De voorbeelden in deze les zijn verzonnen oefenzinnen, zodat je je volledig op de plaatsing van de tekens kunt richten.

Oefen met deze voorbeelden

  1. Waar staat de punt bij de volledige uitspraak: De kok zei: ‘Het eten staat klaar’?
  2. Schrijf met de verteller achteraan: ‘Ik kom morgen’ + antwoordde de schilder.
Antwoorden met uitleg
  1. De kok zei: ‘Het eten staat klaar.’ De punt staat binnen de aanhalingstekens; er komt buiten geen extra punt.
  2. ‘Ik kom morgen’, antwoordde de schilder. Het citaat krijgt hier geen eigen slotpunt.

Ontdek ook