Vers 1
Zingt, zingt een nieuw gezang den HEERE; Zing, aarde, zing dien God ter ere; Looft ’s HEEREN Naam met hart en mond; Vermeldt Zijn heil op ’t wereldrond; Dat dag aan dag Zijn roem vermeere.
Vers 2
Nu moet uw tong de heid’nen noden; Meldt allen volken Zijn geboden; Vertelt Zijn wond’ren en Zijn eer; Groot en prijswaardig is de HEER’, En vrees’lijk boven al de goden.
Vers 3
Al d’afgoôn zijn slechts ijdelheden, Maar God, Die van ons wordt beleden, Is ’t, Die de heemlen heeft gesticht En voor Zijn Godd’lijk Aangezicht, Zet eer met majesteit haar treden.
Vers 4
Hoe blinkt het alles door vertoning Van sterkt’ en sieraad in Zijn woning! Geef dan, o allerlei geslacht, Den roem van heerlijkheid en kracht Aan Isrels groten God en Koning.
Vers 5
Geeft d’eer aan ’t eeuwig Opperwezen; Zijn Naam wordt nooit genoeg geprezen. Verheft Zijn deugden, blij te moê; Brengt in Zijn huis Hem offer toe, Hem, Die de volken moeten vrezen.
Vers 6
Aanbidt Hem need’rig al uw leven, Hem, Die, in ’t heiligdom verheven, Een Godd’lijk licht van zich verspreidt; Leer, aarde, voor Zijn majesteit, Leer voor Zijn Aangezichte beven.
Vers 7
Zegt, om de heid’nen te verlichten; „De HEER’ regeert, Die d’aard’ wou stichten; Dies zij, bevestigd t’allen stond, Nooit wanklen zal op haren grond. Hij zal naar ’t recht de volken richten.”
Vers 8
Dat zich de hemelen verblijden; Verheugd zij d’aard’, aan alle zijden; Verheugd de volheid van de zee. Het veld spring’ op met al het vee, En ’t woud moet juichend God belijden.
Vers 9
’t Juich al voor ’t Aangezicht des HEEREN. Hij komt, die d’aarde zal regeren En richten vol van majesteit: De wereld zal gerechtigheid, Het mensdom Zijne waarheid eren.