← Psalmboek Psalm 75
Letters

Psalmen · 1773

Psalm 75

U alleen, U loven wij

6 verzen ·

Zoeken in dit lied

Vers 1

U alleen, U loven wij; Ja wij loven U, o HEER’, Want Uw Naam, zo rijk van eer, Is tot onze vreugd nabij. Dies vertelt men in ons land, Al de wond’ren Uwer hand.

Vers 2

Als ik ’t ambt ontvangen zal, Wil ik, volgens eed en plicht, Altoos recht doen in ’t gericht. Land en volk was in verval; Maar zijn pijlers steld’ ik vast, Tegen woed’ en overlast.

Vers 3

Tot het dom en dwaas geslacht, Zeid’ ik: „Wees niet zinneloos.” Tot de snoden; „Weest niet boos, Dat gij hoornen, sterk van kracht, Woedende naar boven steekt, En met stijven halze spreekt.”

Vers 4

Geen geval, geen zorg, geen list, Oost, noch west, noch zandwoestijn, Doet ons meer of minder zijn: God is rechter, die ’t beslist; Die, als aller oppervoogd, Deez’ vernedert, dien verhoogt.

Vers 5

Want des HEEREN hand besluit Enen kelk vol bitterheid, In Zijn gramschap toebereid, En Hij drenkt er ’t mensdom uit; Doch der goddelozen mond Zuigt Zijn hef uit, tot den grond.

Vers 6

’k Zal dit melden, ’k zal altijd Zingen Jakobs God ter eer, Slaan der bozen hoornen neer, Vellen wat Zijn Naam bestrijdt; Maar der vromen hoorn en macht Zal verhoogd zijn door Gods kracht.

Over deze tekst

Berijming 1773

Tekstbron bekijken

Naar Talenkoning