Vers 1
D’algoede God zij ons genadig, En zegen’ ons met overvloed; Hij doe Zijn aangezicht gestadig, Ons lichten en Hij zij ons goed; Opdat elk genegen, Zich aan Uwe wegen, Op deez’ aarde wenn’; En de blinde heiden, Nu van God gescheiden, Eens Uw heil erkenn’.
Vers 2
De volken zullen U belijden, O God, U loven al te zaam. De landen zullen zich verblijden, En juichen over Uwen Naam. Volken zult Gij rechten, Hunne zaak beslechten, In rechtmatigheid; Volken op deez’ aarde, Die Uw arm vergaarde, Die Gij veilig leidt.
Vers 3
De volken zullen, HEER’, U loven; O HEER’, U loven altemaal, Die d’aarde vruchtbaar maakt van boven Dat z’ons op haar gewas onthaal’. God is ons genegen; Onze God geeft zegen Hij, die alles geeft, Hij zal zijn geprezen, Hem zal alles vrezen, Wat op aarde leeft.