← Psalmboek Psalm 64
Letters

Psalmen · 1773

Psalm 64

’t Behaag’ U, mij gehoor te geven

10 verzen ·

Zoeken in dit lied

Vers 1

’t Behaag’ U, mij gehoor te geven; Ik zend mijn klaagstem tot Uw troon; O HEER’, dat zich Uw hulp vertoon. Laat mij voor ’s vijands macht niet beven; Behoed mijn leven.

Vers 2

Verberg mij voor de listigheden En voor den heimelijken raad Der bozen, die, geneigd tot kwaad, Oproerig in hun doen en reden, Steeds onrecht smeden.

Vers 3

Bescherm mij tegen ’t wreed vermogen Van hen, wier tong is als een zwaard, Wier taal, met bitterheid gepaard, Tot pijlen dient op hunne bogen, Om t’orelogen.

Vers 4

Zij leggen lagen voor de vromen; Verschuilen zich voor hun gezicht, En treffen straks hen met hun schicht, Waardoor zij wreed hen om doen komen, En niemand schromen.

Vers 5

’t Is ’t kwaad, waarin z’elkander sterken, Dat hun tot samenspraak verstrekt; Hun strikken houden zij bedekt; Zij zeggen van hun boze werken: „Wie zal die merken?”

Vers 6

Hun drift, aan snood bedrog verbonden, Spitst daag’lijks zich op listigheên. Hun hart, hun binnenst’ peinst alleen Op vals’ en ereloze vonden, Om elk te wonden.

Vers 7

Maar God, aanschouwend al hun lagen, Die bloot zijn voor Zijn aangezicht, Zal ijlings met een scherpen schicht Hen treffen, en door zware plagen, Hen straf doen dragen.

Vers 8

Hun tong, die and’ren durfd’ onteren, En ware vromen trots versmaan, Zal zelf met schande hen belaan; Ja, elk zal hun den rug toekeren, En hen verneren.

Vers 9

Dan zullen alle mensen vrezen, Het werk verheffen van den HEER’. Zijn lof verbreiden en Zijn eer, En op Zijn daân, alom geprezen, Oplettend wezen.

Vers 10

’t Rechtvaardig volk zal zich verblijden, Betrouwend op den HEER’ alleen; D’oprechten zullen weltevreên Terwijl zij Hem hun harten wijden, Zijn Naam belijden.

Over deze tekst

Berijming 1773

Tekstbron bekijken

Naar Talenkoning