← Psalmboek Psalm 53
Letters

Psalmen · 1773

Psalm 53

De trotse dwaas zegt in zijn boos gemoed

6 verzen ·

Zoeken in dit lied

Vers 1

De trotse dwaas zegt in zijn boos gemoed: „Daar is geen God.” Zij doven ’t licht der rede, En maken zich door gruwelijke zeden Afschuwelijk; daar is geen mens, die goed Op aarde doet.

Vers 2

God, die het recht met kracht verdedigt, sloeg Van ’s hemels troon Zijn ogen naar beneden, Op Adams kroost’ doorzocht hun hart en zeden. Hij zag of zich geen mens verstandig droeg, En naar Hem vroeg.

Vers 3

Hij zocht alom, maar ach; Hij vond er geen; Want alle vlees is trouw’loos afgeweken; Het land is vol van stinkende gebreken. Geen sterveling wil ’t pad der deugd betreên, Ja, zelfs niet één.

Vers 4

Heeft dan dit volk, dat groeit in euveldaân, Geen kennis? Neen, thans durven die ontzinden Met gulzigheid Mijn volk als brood verslinden; Zij roepen op hun godvergeten paân, Zelfs God niet aan.

Vers 5

Op ’t onverwachts zijn zij in angst gebracht, Want God heeft uw belegeraars doen vluchten, Hun beend’ren zelfs verstrooid, die u deen zuchten, Hebt gij beschaamd; want God verwerpt, veracht Dit boos geslacht.

Vers 6

Och daalde ’t heil uit Sion spoedig neer Voor Israël! Als God Zijn volk uit lijden En banden redt, zal Jakob zich verblijden, En Israël, al juichend, geven d’eer Aan zijnen HEER’.

Over deze tekst

Berijming 1773

Tekstbron bekijken

Naar Talenkoning