← Psalmboek Psalm 38
Letters

Psalmen · 1773

Psalm 38

Groot en eeuwig Opperwezen

22 verzen ·

Zoeken in dit lied

Vers 1

Groot en eeuwig Opperwezen, Zeer te vrezen, Staf mij in Uw gramschap niet; Toon mij toch, dat Uw kastijden, In mijn lijden, Uit geen grimmigheid geschiedt.

Vers 2

Want Uw pijlen doen mij dragen Bitt’re plagen; Zij doorgrieven vlees en beên; ’k Voel Uw hand in d’ongelukken, Die mij drukken, Neergedaald op al mijn leen.

Vers 3

Door Uw gramschap, fel ontstoken, Is verbroken Al mijn vlees en lichaamskracht. Rust, noch vrede wordt gevonden, Om mijn zonden, In mijn beend’ren, dag of nacht.

Vers 4

Want mijn hoofd is als bedolven In de golven Van mijn ongerechtigheên; Zulk een last van zond’ en plagen, Niet te dragen, Drukt mijn schouders naar beneen.

Vers 5

’k Voel door stinkend’ etterzweren Mij verteren, Walg’lijk zijn zij voor het oog; Mijne dwaasheid deed die builen Dus vervuilen, Daar ze mij tot kwaad bewoog.

Vers 6

’k Ben, door Uwe wet te schenden, Krom van lenden, Vol van druk, benauwd van hart. Zeer gebogen en verslagen, Moe van klagen, Ga ik al den dag in ’t zwart.

Vers 7

Mijn ontstoken ingewanden Doen mij branden, En voor elk veracht’lijk zijn; ’k Voel mij van de smart doorsneden; In mijn leden Is niets heel, of vrij van pijn.

Vers 8

Uitgeteerd door al mijn klachten Zijn mijn krachten, Zeer verbrijzeld en vergaan; ’k Brul van bitt’re zielesmarte, Want mijn harte Is verzwakt, door al Uw slaan.

Vers 9

Maar wat klaag ik, HEER’ der heren? Mijn begeren Is voor U, in al mijn leed, Met mijn zuchten en mijn zorgen, Niet verborgen; Daar Gij alles ziet en weet.

Vers 10

’t Hart schokt in mij heen en weder, Op en neder; ’t Lichaam valt mij kracht’loos neer; D’ogen, bijna blind gekreten, Uitgebeten, Zien het daglicht nauw’lijks meer.

Vers 11

Die voorheen mij teer beminden, En mijn vrinden Wijken, angstig voor mijn plaag; Nabestaanden gaan ter zijden, Wegens ’t lijden, En d’ellenden, die ik draag.

Vers 12

Zij, die mijnen dood bejagen, Leggen lagen, Dreigen mij den laatsten slag, Spreken, hoe mij ’t best te krenken; En bedenken Mijn verderf, den gansen dag.

Vers 13

Maar ik ben, in d’ongelukken, Die mij drukken, Als een dove, die niet hoort, En uit wiens verstomde lippen Niet kan glippen ’t Flauwst geluid van enig woord.

Vers 14

Ja, ik ben als een, wiens oren Niet meer horen, Wat men zegge, kwaad of goed; Wien de tegenreên ontbreken, Om te spreken, En die daarom zwijgen moet.

Vers 15

Want, o trouw en eeuwig Wezen, In mijn vrezen Staat mijn hoop op U alleen; Gij, mijn God, zult in ellenden Bijstand zenden, En verhoren mijn gebeên.

Vers 16

’k Zei: „Laat nooit mijn bitter lijden Hen verblijden In hun trotsen euvelmoed; Wijl die bozen juichen zouden, Als z’aanschouwden ’t Wanklen van mijn zwakken voet.”

Vers 17

Want, o HEER’, ik ben aan ’t zinken En tot hinken Ieder ogenblik gereed. ’k Heb mijn smart en onvermogen Steeds voor ogen, Bij ’t vooruitzicht van mijn leed.

Vers 18

’k Wil mijn misdaân, die U tergen, Niet verbergen; Ik bedek voor U die niet; ’k Ben vanwege al mijn zonden, Die mij wonden, Vol van kommer en verdriet.

Vers 19

Maar mijn vijand zie ik leven, Hoog verheven, Machtig, vrij van smart en nood. Die, om valse reên verbolgen, Mij vervolgen, Nemen toe en worden groot.

Vers 20

Zij, die kwaad voor goed vergelden, Last’ren, schelden, En vervolgen mij gestaag. Ja, zij zijn op mij gebeten, Want zij weten, Dat ik naar het goede jaag.

Vers 21

Zie mij, HEER’, wien elk moet duchten, Tot U vluchten. O mijn God, verlaat mij niet; Blijf niet, wegens mijn gebreken, Ver geweken; Toon, dat Gij mijn rampen ziet.

Vers 22

HEER’, ik voel mijn krachten wijken, En bezwijken, Haast U tot mijn hulp, en red, Red mij, Schutsheer, God der goden, Troost in noden, Grote Hoorder van ’t gebed.

Over deze tekst

Berijming 1773

Tekstbron bekijken

Naar Talenkoning