Vers 1
’k Riep tot den HEER’ met luider stem; Ik smeekt’ en riep vol angst tot Hem. ’k Heb, voor Zijn aangezicht, mijn klacht In mijn benauwdheid voortgebracht.
Vers 2
Als mij geen hulp of uitkomst bleek, Wanneer mijn geest in mij bezweek, En overstelpt was door ellend’, Hebt Gij, o HEER’, mijn pad gekend.
Vers 3
Zij hebben vol arglistigheid Een strik op mijnen weg gespreid. ’k Zag uit, in nood, ter rechterhand, Maar vond noch vriend, noch onderstand.
Vers 4
’k Wou vluchten, maar kon nergens heen, Zodat mijn dood voorhanden scheen, En alle hoop mij gans ontviel, Daar niemand zorgde voor mijn ziel.
Vers 5
Ik riep tot U, ik zeid’: o HEER’, Gij zijt mijn toevlucht, sterkt’ en eer; Gij zijt, zolang ik leef, mijn deel, Mijn God, Wien ik mij aanbeveel.
Vers 6
Hoor mijn geschrei! ’k Ben uitgeteerd, Door mijn vervolgers overheerd; Ai, help en red mij uit den nood, Want hunne macht is mij te groot.
Vers 7
Voer mij uit mijn gevangenis, Tot roem Uws Naams, die heerlijk is. Dat mij ’t rechtvaardig volk omring’ En vrolijk van Uw weldaân zing’.