← Psalmboek Psalm 136
Letters

Psalmen · 1773

Psalm 136

Looft den HEER’, want Hij is goed

26 verzen ·

Zoeken in dit lied

Vers 1

Looft den HEER’, want Hij is goed, Looft Hem met een blij gemoed; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 2

Looft den groten God, Wiens troon Hoger rijst dan die der goôn; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 3

Looft der heren Opperheer; Buigt u need’rig voor Hem neer; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 4

Looft Gods macht, die onbeperkt, Gadeloze wond’ren werkt; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 5

Looft Gods wijsheid; door Zijn woord Bracht Hij al de heemlen voort; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 6

D’aard’ hief uit der waat’ren schoot Zich omhoog, toen God ’t gebood; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 7

God schiep aan des hemels trans Grote lichten, rijk van glans; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 8

Aan de zon schonk Gods gezag D’opperheerschappij bij dag; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 9

Maan en sterren, min in pracht, Schonk Hij heerschappij bij nacht; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 10

Looft Hem, die Egypte’s staat Sloeg in ’t eerstgeboren zaad; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 11

Looft den HEER’, Wiens heerschappij Isrel voerd’ uit slavernij; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 12

Looft den HEER’, Wiens sterke hand Isrel leidd’ uit Faros land; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 13

Looft Hem, die het Rode meer Heeft verdeeld voor Mozes’ heir; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 14

Die, door dien verdeelden plas, Israëls Geleider was; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 15

Die vorst Faros legermacht In de Schelfzee t’onder bracht; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 16

Die Zijn volk, als bij de hand, Leidde door woestijn en zand; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 17

Die tot wering van ’t geweld Koningen heeft neergeveld; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 18

Die de vorsten, trots van moed Heeft doen smoren in hun bloed; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 19

Looft Hem, die den Amoriet Van zijn grootsen zetel stiet; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 20

Looft Hem, Wiens geduchte macht Bazans koning t’onder bracht; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 21

Die hun land, dat d’ogen streelt, Israël heeft toegedeeld; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 22

Looft Hem, nu die erfenis, Naar Zijn woord bevestigd is; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 23

Die in onzen lagen stand, Ons genadig bood de hand; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 24

Die ons, onder ’t leed gebukt, Heeft uit ’s vijands macht gerukt; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 25

Looft Hem, looft Hem, al wat leeft, Die al ’t vlees zijn voedsel geeft; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Vers 26

Geeft den God des hemels eer, Lof zij aller schepslen HEER’; Want Zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.

Over deze tekst

Berijming 1773

Tekstbron bekijken

Naar Talenkoning