Vers 1
Ai, ziet, hoe goed, hoe lieflijk is ’t, dat zonen Van ’t zelfde huis, als broeders samen wonen, Daar ’t liefdevuur niet wordt verdoofd; ’t Is als de zalf op ’s Hogepriesters hoofd, De zalf, waarmee hij is aan God gewijd, Die door haar reuk het hart verblijdt.
Vers 2
Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen, Als d’olie, die, van Arons hoofd gedropen, Zijn baard en klederzoom doortrekt; Z’is als de dauw, die Hermons kruin bedekt, Die Sions top met vruchtbaar vocht besproeit, En op zijn bergen nedervloeit.
Vers 3
Waar liefde woont, gebiedt de HEER’ den zegen: Daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen, En ’t leven tot in eeuwigheid.