Vers 1
U mag men zalig heten, Dien ’s HEEREN vrees bekoort; Die, met een goed geweten, Steeds wandelt naar Zijn woord. Gij zult uw nooddruft vinden Door d’arbeid van uw hand; Wat g’u moogt onderwinden, Komt naar uw wens tot stand.
Vers 2
Uw echtvriendin zal bloeien, Gelijk een wijnstok tiert, Die, vruchtrijk onder ’t groeien, Uw huismuur dekt en siert. Niets zal uw welvaart stuiten; Uw kroost zal blij en fris, Als groen’ olijvenspruiten, Versieren uwen dis.
Vers 3
Dit lot is u beschoren, Zo gij, met diep ontzag, Naar ’s HEEREN wet blijft horen; Voor u zal, dag aan dag, Het heil uit Sion vloeien: Gij zult, zolang gij leeft, Jeruzalem zien bloeien, ’t Welk God Zijn zegen geeft.
Vers 4
Blijft gij op Hem betrouwen, Dan zult gij, op uw beê ’t Kroost van uw kroost aanschouwen; In Israël zij vreê.