Vers 1
Wanneer de HEER’, uit ’s vijands macht, ’t Gevangen Sion wederbracht, En dat verlost’ uit nood en pijn, Scheen ’t ons een blijde droom te zijn. Wij lachten, juichten; onze tongen Verhieven ’s HEEREN Naam en zongen. Toen hieven zelfs de heid’nen aan: „De HEER’ heeft hun wat groots gedaan.”
Vers 2
God heeft bij ons wat groots verricht; Hij zelf heeft onzen druk verlicht; Hij heeft door wond’ren ons bevrijd; Dies juichen wij, en zijn verblijd. Breng, HEER’, al Uw gevangnen weder; Zie verder op Uw erfvolk neder; Verkwik het, als de watervloed, Die ’t zuiderland herleven doet.
Vers 3
Die hier bedrukt met tranen zaait, Zal juichen, als hij vruchten maait; Die ’t zaad draagt, dat men zaaien zal, Gaat wenend voort, en zaait het al; Maar hij zal, zonder ramp te schromen, Eerlang met blijdschap wederkomen, En met gejuich, te goeder uur Zijn schoven dragen in de schuur.