← Psalmboek Psalm 126
Letters

Psalmen · 1773

Psalm 126

Wanneer de HEER’, uit ’s vijands macht

3 verzen ·

Zoeken in dit lied

Vers 1

Wanneer de HEER’, uit ’s vijands macht, ’t Gevangen Sion wederbracht, En dat verlost’ uit nood en pijn, Scheen ’t ons een blijde droom te zijn. Wij lachten, juichten; onze tongen Verhieven ’s HEEREN Naam en zongen. Toen hieven zelfs de heid’nen aan: „De HEER’ heeft hun wat groots gedaan.”

Vers 2

God heeft bij ons wat groots verricht; Hij zelf heeft onzen druk verlicht; Hij heeft door wond’ren ons bevrijd; Dies juichen wij, en zijn verblijd. Breng, HEER’, al Uw gevangnen weder; Zie verder op Uw erfvolk neder; Verkwik het, als de watervloed, Die ’t zuiderland herleven doet.

Vers 3

Die hier bedrukt met tranen zaait, Zal juichen, als hij vruchten maait; Die ’t zaad draagt, dat men zaaien zal, Gaat wenend voort, en zaait het al; Maar hij zal, zonder ramp te schromen, Eerlang met blijdschap wederkomen, En met gejuich, te goeder uur Zijn schoven dragen in de schuur.

Over deze tekst

Berijming 1773

Tekstbron bekijken

Naar Talenkoning