← Psalmboek Psalm 11
Letters

Psalmen · 1773

Psalm 11

Op God alleen betrouw ik in mijn noden

4 verzen ·

Zoeken in dit lied

Vers 1

Op God alleen betrouw ik in mijn noden. Hoe zegt gij trots tot mij in mijn verdriet: „Nu ijlings heen, nu naar ’t gebergt’ gevloden, Gelijk vol angst een schuwe vogel vliedt.” Men ziet den boog door goddelozen stellen; Men spant de pees, men schikt den pijl, en schiet, Om onverwacht d’oprechten neer te vellen.

Vers 2

Dus wordt gewis, in ’t veilig samenleven, De grondslag van ’t vertrouwen omgerukt; Wat heeft het volk, ’t rechtvaardig volk, misdreven? Maar d’Opperheer, voor Wien al ’t schepsel bukt, Ziet van Zijn troon oplettend naar beneden: Hij, die nooit duldt, dat d’onschuld wordt verdrukt, Proeft elks gedrag, zelfs met Zijn ogenleden.

Vers 3

d’Alwijze God beproeft wel eens d’oprechten; En tuchtigt hen; maar elk, die ’t kwaad bemint. Die met geweld zijn naaste durft bevechten; Blijft steeds gehaat, tot hem de wraak verslindt. God heeft alreeds der bozen straf gezworen; Straks dalen vuur en strikken; wervelwind En zwavel neer; die kelk is hun beschoren.

Vers 4

Rechtvaardig is de HEER’ in al Zijn handel; Hij, die in ’t recht Zijn welbehagen vindt, Slaat gunstig ’t oog op aller vromen wandel.

Over deze tekst

Berijming 1773

Tekstbron bekijken

Naar Talenkoning